|
De 17e eeuw (1600-1700) wordt in de Nederlandse geschiedenis ook wel de "Gouden Eeuw" genoemd. Dat komt door de grote welvaart als gevolg van de handel en scheepvaart, maar ook de bloei in kunsten en wetenschappen. In het begin van de Nederlandse Opstand (1566-1648) moest een kleine groep uit een klein volk van 2 miljoen inwoners strijden tegen het grote en machtige Spanje onder leiding van Filips II. Tachtig jaar later was de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een van de meest welvarende landen ter wereld geworden. Het speelde een belangrijke rol in Europese en buiten-Europese politiek. Spanje was inmiddels een tweederangs mogendheid geworden. Na de Vrede van Münster in 1648 kon de aandacht gericht worden op handel, in plaats van oorlog. De vloot van de Republiek was groter dan alle andere West-Europese landen samen. Van deze schepen behoorde dan weer meer dan de helft van Amsterdam. Deze stad werd steeds groter en dus ook telkens uitgebreid. Telkens werden nieuwe grachten gegraven. Tussen 1600 en 1660 was het aantal inwoners van Amsterdam gestegen van 50.000 naar 200.000. De bloeiende handel, ook op de Oostzee, was nog steeds erg belangrijk. Ook de handel met andere delen van Europa was sterk toegenomen. In vele havens waren schepen van de Republiek te zien. Via de straat van Gibraltar werden belangrijke havens in het Middellandse zeegebied aangedaan. Op de heenreis werd het ruim gevuld met de bekende producten als kaas, boter en haring. Op de terugtocht naar de Republiek werden wijn, zuidvruchten, marmer, tapijten en andere "vreemde" producten meegenomen. De Nederlanders waren de "vrachtvaarders van Europa". Ook uit Indonesië kwamen schepen binnen in de havens van de Republiek. Winsten op de specerijen als peper en foelie waren enorm. Door het aanbod laag te houden, de producten op te slaan in pakhuizen, werd de vraag gestimuleerd en bleef de prijs hoog. Ook de haringvisserij was een winstgevende zaak. De 'kleine visserij', zoals de walvisvaart genoemd werd, bracht wat minder op, maar was ook de moeite waard. Toch was de Gouden Eeuw niet voor iedereen een periode van welvaart en bloei. Buiten Holland en Zeeland werd weinig gemerkt van de toenemende activiteitn. De landgewesten leefden vooral van de landbouw. De IJsselsteden, eens belangrijk door de Hanze, waren in verval geraakt. Amsterdam was een sterke concurrent geworden. Ook in het gewest Holland waren maar weinigen die volledig de vruchten plukten van de Gouden Eeuw. Onder het volk heerste armoede. Ook kwamen epidemieën nog regelmatig voor. Op cultureel gebied werden bijzondere dingen gepresteerd. Hendrik de Keyser was verantwoordelijk voor de Westerkerk in Amsterdam, het praalgraf van Willem van Oranje en het standbeeld van Erasmus. Jacob van Campen was verantwoordelijk voor het Amsterdamse stadhuis. Joost van den Vondel was de bekende dichter. P.C. Hooft en G.A. Bredero waren ook bekend en bemind. De meest gelezen dichter was "vadertje" Jacob Cats. Omdat zijn werk redelijk toegankelijk was, konden ook minder ontwikkelden kennis maken met zijn werken. Constantijn Huygens was een meer elitair dichter, die ook secretaris van drie opeenvolgende stadhouders was geweest. Schilders uit deze tijd genieten nog steeds internationale faam. Hun roem kwam pas na hun dood. We hebben het over Rembrandt, Frans Hals, Vermeer, Ruysdael, Hobbema en Jan Steen. Op wetenschappelijk gebied maakten we kennis met Swammerdam, Van Leeuwenhoek en Christiaan Huygens (zoon van Constantijn). Wellicht heeft de culturele en geestelijke bloei te maken met de vrijheid in de Republiek. Filosofen als Descartes (hij verbleef 5 jaar in de Republiek) en Spinoza zijn hiervan de meest sprekende voorbeelden.
|