|
Aan het begin van de 18e eeuw was de archeologie vooral een hobby van rijke mensen die een verzameling oude voorwerpen aanlegden. Omstreeks 1870 begonnen mensen steeds voorzichtiger om te gaan met de vondsten en werd de archeologie wetenschappelijker. Men vermoedt dat Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten, de eerste echte opgraving deed. In 1784 groef hij een sleuf rond een heuvel op zijn landgoed in Virginia. Hij kwam te weten dat de heuvel was gebouwd door inheemse indianen en gebruikt werd als graf. Jefferson was ver voor op zijn tijd, hij deed alles erg nauwkeurig. Inmiddels ontwikkelde aan de andere kant van de Atlantische oceaan de archeologie zich op geheel andere wijze.De veldtocht van Napoleon naar Egypte (1798-1801) legde Egypte open voor de archeologie door de resultaten van de begeleidende expeditie en de expositie van de verzamelde oudheden in het Louvre. Jean François Champollion (1790-1832) ontcijferde in 1822 het hiërogliefenschrift en Georg Grotefend (1775-1853) in 1802 het Perzische spijkerschrift. Dat maakte de culturen van het Nabije Oosten beter toegankelijk. In 1870 begon Heinrich Schliemann (1822-1890) te graven in Troje, in 1876 in Mycene en in 1878 ontdekte hij de Minoïsche paleizen in Knossos. Door die grote ontdekkingen is de Griekse beschaving bekend geworden. Schliemann was de eerste die ook belangstelling had voor klein vondstmateriaal zoals aardewerkscherven. In dezelfde tijd werden er sporen uit de prehistorie gevonden in Europa. John Frére vond in Engeland al in 1797 stenen werktuigen en beenderen van uitgestorven dieren. Maar het duurde nog een tijd voordat zulke vondsten op hun waarde konden worden geschat. De Fransman Jacques Boucher de Perthes (1788-1868) moest van 1834 tot 1859 strijden voor de erkenning van zijn beroemde vuistbijlvondsten in het Somme-dal. Maar vooral de onderzoekingen van Eduart Lartet (1801-1871) in grotten in de Pyreneeën en in de Dordogne leverden het doorslaggevende bewijs van de fossiele mens. Zijn werk werd voortgezet door zijn leerling Gabriel de Mortillet (1821-1898). De periode 1820-1880 kan dus het tijdperk der grote archeologische ontdekkingen genoemd worden, Want alle belangrijke culturen van de Oude Wereld werden ontdekt en tegelijkertijd kreeg de kennis over prehistorie gestalte en werd de hoge ouderdom van de mens bekend. Tegen het einde van de 19e eeuw werd men zich bewust dat opgraven vernielen betekent. De opgraver heeft een hoge verantwoordelijkheid een de plicht tot zorgvuldige documentatie. De aandacht richt zich meer op grondsporen en funderingen en op de relatie van de vondsten daarmee. Meer op informatie dan op voorwerpen (maar men vond het natuurlijk nog steeds opwindend om een kostbare schat te vinden). Kolonel Pitt Rivers stelde met zijn onderzoek op zijn landgoed tussen 1880 en 1900 nieuwe normen voor het prehistorisch onderzoek. De Oostenrijker Alexander Conze en de Duitser Ernst Curtius deden hetzelfde voor de klassieke archeologie. William Flinders Petrie (1853-1942) is de grondlegger van de moderne archeologie van Egypte.Voor 1880 werden bijna alle archeologische expedities uitgezonden door Frankrijk en Engeland, maar na dat jaar zonden ook Duitsland, Polen, Italië, Oostenrijk, Amerika en andere landen opgravingsexpedities over de hele wereld. In de tweede helft van de 19e eeuw breidde de archeologie zich uit tot alle gebieden buiten de traditionele Oude Wereld (Europa) zoals de indianenculturen in Noord-Amerika en de beschaving van de Azteken, Maya’s, Tolteken, Olmeken in Midden- en Zuid-Amerika. Bronnen: http://nl.wikipedia.org/wiki/Archeologie Grote Winkler Prins Encyclopedie
|