
Alfred Graf von Schlieffen (1833-1913)
Na de oorlog van 1870-1871 tussen Duitsland en Frankrijk, hield het Duitse opperbevel rekening met de mogelijkheid dat Frankrijk, te zijner tijd, revanche zou nemen om zijn nederlaag in deze oorlog te wreken en daarmede de verloren gegane gebieden weer terug te winnen.
Deze mening werd nog versterkt nadat in 1893 de Frans-Russische alliantie werd ondertekend. Het opperbevel was nu ervan overtuigd dat in het geval van een oorlog met Frankrijk, Duitsland het moest opnemen tegen de gecombineerde legers van Frankrijk en Rusland en zodoende in een tweefronten oorlog verzeild zou raken. Duitsland zou hier niet sterk genoeg voor zijn. De oplossing lag in het plan dat de Duitse generaal von Schlieffen bedacht.
In 1891 werd de Chef van de Duitse Generale Staf, Veldmaarschalk Von Waldersee, opgevolgd door de kille, hyperintelligente Generaal Graaf Alfred von Schlieffen. Deze onderkende ook het gevaar van een oorlog tegen Frankrijk en Rusland, in casu een oorlog op twee fronten.

Het plan Von Schlieffen
In 1905 stelde hij daarom een aanvalsplan op uitgaande van de volgende punten:
Een snelle overrompeling van Frankrijk door buitengewoon sterke strijdkrachten op de rechtervleugel van de Duitse aanvalslegers als een reusachtige wig via Nederlands-Limburg en België westelijk om Parijs te laten trekken. Daarna zou hij, door middel van een opmars in oostelijke richting naar de Moezel, de linkervleugel van het Franse leger terug dringen.
De troepen op deze rechtervleugel moesten in van te voren vastgestelde dag étappes de tegenstander terugdringen en wel zo, dat op de vijfentwintigste dag na het begin van het offensief Parijs via het westen was gepasseerd.
Tijdens deze actie moesten de Duitse legers in het centrum en op de linkervleugel (in Elzas-Lotharingen) tijdelijk een verdedigende opstelling innemen. Von Schlieffen richtte de hoofdaanval op het vrij zwak verdedigde en nauwelijks versterkte gebied langs de noordgrens van Frankrijk tussen Duinkerken en Mézières, hiermee tevens een opmars door de beboste en dus moeilijk te doorkruisen Ardennen te vermijden. Hij ging uit van de veronderstelling dat de Franse troepen vooral tussen Verdun en Belfort zouden worden geconcentreerd en het eerste Franse offensief tegen Elzas-Lotharingen zou zijn gericht. Om dit te verwachten offensief te kunnen opvangen, concentreerde hij twee legers (het 6e en 7e Leger) langs de grenzen van Elzas-Lotharingen tussen Metz en de Zwitserse grens.
Deze twee legers vormden de linkerflank van het Duitse leger. De sterkte hiervan moest zodanig zijn dat een Frans offensief in deze regio door vertragende gevechten onder controle kon worden gehouden. Dit tot het moment dat het 1e Leger op de rechtervleugel, Parijs via het westen was gepasseerd en zijn opmars in oostelijke richting zou voortzetten. Hierdoor zouden de Franse strijdkrachten tot op de lijn Verdun-Toul-Epinal-Belfort worden teruggedrongen.
Pas nadat deze operatie was geslaagd en de Franse fortengordels langs de Maas en de Moezel vanuit de flank en van achteren werden bedreigd, zou het 3e Leger in het centrum, met het 4e en 5e Leger op zijn linkervleugel, tot de aanval overgaan om de Franse legers definitief uit te schakelen.
Het met forten versterkte gebied Thionville-Metz diende als het scharnier-punt in het totale Duitse aanvalsplan.
Het was een gewaagd plan met als voornaamste doel binnen vijf tot zeven weken na het uitbreken van de eventuele vijandelijkheden de hoofdmacht van de Franse legers uit te schakelen. Daardoor kon het Duitse leger het offensief tegen Rusland inzetten zonder door Frankrijk in de rug te worden aangevallen. Zo werd een oorlog op twee fronten voorkomen.
Bronnen:
http://nl.wikipedia.org/wiki/Von_Schlieffenplan
http://nl.wikipedia.org/wiki/Eerste_Wereldoorlog#Het_Von_Schlieffenplan
http://www.thinkclear.nl/~tom/studiecentrum/schlieffen/schlieffen.htm