|
Beknopte geschiedenis van het Nederlandse kiesrecht |
|
|
|
De ontwikkeling van het kiesrecht in Nederland: Het Nederlandse kiessysteem is vastgelegd in de eerste grondwet van 1848. Hiervoor waren verkiezingen standgebonden en hadden (met name in de periode van de Franse overheersing: 1795-1812) het karakter van referenda. De hoogste klasse (van adel en gegoede burgerij) had in een ondoorzichtig stelsel de meeste stemmen terwijl ze de kleinste bevolkingsgroep waren. Omdat deze groep in feite de economie bepaalde, bepaalden ze ook de politiek. Van 1848 tot 1919 was er in Nederland geen algemeen kiesrecht. Alleen mannen, die een bepaald bedrag aan belastingen betaalden, mochten stemmen (dit heette het censuskiesrecht). Later mochten ook mannen die konden lezen en schrijven, en mannen die bijvoorbeeld huur betaalden, meestemmen.
In 1917 werd het algemeen mannenkiesrecht ingevoerd, en in 1919 het vrouwenkiesrecht.
Vanaf 1887 is de leeftijd waarop mensen mochten stemmen (actief stemrecht), verlaagd van 25 jaar naar 23 jaar (in 1946) en vervolgens naar 21 jaar (in 1963) en 18 jaar (in 1972).
Tussen 1918 en 1970 kende Nederland een opkomstplicht bij verkiezingen. Voor het niet verschijnen kon je een boete krijgen.
De strijd om uitbreiding heeft in de 19e eeuw en aan het begin van de 20e eeuw de Nederlandse politiek sterk beheerst. Aanvankelijk richtten voorstanders van kiesrechtuitbreiding zich vooral op verlaging van de census, waardoor ook mensen die minder belasting betaalden zouden kunnen meestemmen.
Pas rond 1900 (en vooral na de opkomst van de sociaal-democraten) werd gestreefd naar algemeen kiesrecht. De socialistische partij (SDAP) organiseerde in 1911 en 1912 op Prinsjesdag in den Haag massademonstraties (de zgn. Rode Dinsdagen) voor algemeen kiesrecht.
Om gekozen te mogen worden (passief stemrecht), gold er een bepaalde leeftijd. Tot 1963 was dit 30 jaar. Bij de grondwetsherziening van 1963 werd de leeftijd verlaagd naar 25 jaar, en in 1971 naar 21 jaar. In 1983 werd dit 18 jaar. Uitgesloten van het kunnen kiezen zijn personen:die jonger dan 18 zijn.die van het kiesrecht zijn ontzet bij een rechterlijke uitspraak.die op grond van een rechterlijke uitspraak wegens een geestelijke stoornis. onbekwaam zijn rechtshandelingen te verrichten.geen geldige verblijfsvergunning of niet de Nederlandse nationaliteit hebben. Bronnen: http://www.parlement.com/9291000/modulesf/g3rfhq0j R. Aerts e.a., “Land van kleine gebaren (Groningen 1999).
|