Samenvatting: Arbeid

  • 1.1
  • Arbeid: alle activiteiten die nut opleveren voor degene die haar verricht, voor diens naaste omgeving en voor de samenleving.
  • Materiële functies: verdienen van inkomen, voorzien in levensonderhoud.
  • Immateriële functies: maatschappelijke status, zelfontplooiing en creativiteit, levensgeluk, sociale contacten.
  • 1.2
  • Griekse Romeinse oudheid: last (arbeid was voor slaven/bezitlozen).
  • Middeleeuwen: last (alleen noodzaak verplicht tot arbeid).
  • Reformatie, kapitalisme, calvinisme: lust (iedereen moest werken, armoede eigen schuld omdat je niet gewerkt had).
  • Renaissance (14e – 16e eeuw): lust (mogelijkheid tot zelfontplooiing).
  • Verlichting (18e eeuw): lust.
  • Industrialisatie (19e eeuw): last (slechte arbeidsomstandigheden).
  • Marx: lust, maar door klassenmaatschappij > sociale ongelijkheid (last).
  • 1.3
  • Arbeidsethos: betekenis die mensen aan arbeid toekennen.
  • Traditioneel arbeidsethos: arbeid wordt als een centrale levenswaarde beschouwd; arbeid goed voor mens en maatschappij.
  • Kritisch arbeidsethos: arbeid belangrijk, maar met kritische kanttekeningen; arbeid kan ten koste gaan van vrije tijd.
  • Alternatief arbeidsethos: betekenis arbeid voor mens niet groot; buiten bestaande arbeidsbestel, invulling eigen leven geven.
  • 3.1
  • Liberale visie
  • -Voorstander markteconomie / tegen planeconomie; geen kunstmatige ingrepen.
  • -Vóór vrije ondernemingswijze productie / economische vrijheid.
  • -Vóór concurrentie in productie + arbeidsmarkt / leidt tot betere prestaties.
  • -Vóór het terugdringen van de rol van de overheid / dit leidt tot ontplooiing talenten.
  • 3.2
  • Sociaaldemocratische visie
  • -Voor spreiding van kennis, inkomen en macht / rechtvaardiger verdeling.
  • -Voor een zekere mate van planning / d.m.v. planning dient waar nodig bijgestuurd.
  • -Voor selectieve groei / er dient rekening gehouden te worden met belasting van het milieu.
  • -Voor democratisering / sociale ongelijkheid op gebied van medezeggenschap verminderen.
  • 3.3
  • Christendemocratische visie
  • -Gespreide verantwoordelijkheid / wat burgers zelf kunnen regelen, moeten ze ook doen.
  • -Rentmeesterschap / God is rentmeester op aarde over de mens.
  • -Gerechtigheid / men dient volgens Gods wetten de gerechtigheid in het oog te houden.
  • -Solidariteit: het plicht van naastenliefde om van het overtollige, overvloedig aan armen te geven.
  • 3.4
  • Ecologische visie
  • -Economie van het genoeg / er moeten grenzen aan groei gesteld worden, met minder ook tevreden.
  • -Kleinschaligheid / kleinschaliger productieproces op milieuvriendelijke basis.
  • -Kringloopeconomie: veel afgedankte producten kunnen 2e leven leiden bij milieubewuste consumenten.
  • -Duurzame economie is van belang.
  • 4.1
  • Arbeidsverdeling: verdeling van de arbeidstaken over individuen en groeperingen in een samenleving.
  • Maatschappelijke arbeidsverdeling: verdeling van maatschappelijke taken en functies over groeperingen die zijn verenigd in beroepen, bedrijven en bedrijfstakken.
  • Technische arbeidsverdeling: verdeling van taken over productie-eenheden en arbeidsfuncties: het productieproces wordt opgedeeld in deelhandelingen die verricht worden door verschillende arbeidskrachten.
  • De ene groep is bezig met uitdenken en coördineren van het productieproces en de andere groep is bezig met het uitvoeren van productietaken.
  • Vanaf industrialisatie 19e eeuw, en daarna door technologische ontwikkelingen, kwam er verdere arbeidsverdeling.
  • 4.2
  • Sociale ongelijkheid: mensen nemen in samenleving ongelijke posities in en er is sprake van een sociale rangorde.
  • Sociale stratificatie: opeenstapeling van sociale lagen in samenleving, waarbij iedere laag bestaat uit gelijkwaardige posities.
  • Sociale status: de waardering die mensen toekennen aan een positie.
  • Macht: mogelijkheid om andere mensen bij herhaling te kunnen dwingen tot gedrag dat ingaat tegen hun eigen waarden en belangen.
  • Belangen werkgever: lagen lonen, gedisciplineerde werknemers en een niet te bemoeizuchtige overheid.
  • Belangen werknemers: hoge lonen, medezeggenschap in de arbeidsorganisatie en wettelijke beschermingsmaatregelen van de overheid.
  • Verticale sociale mobiliteit: stijging/daling van een persoon op maatschappelijke ladder.
  • Inter-generatie mobiliteit: stijging/daling in vergelijking met vorige generatie.
  • Intra-generatie mobiliteit: stijging/daling in vergelijking met eigen beroepsleven.
  • Standenmaatschappij: afkomst en eigendom bepalen de positie op de maatschappelijke ladder.
  • Kaste: vrijwel gesloten groepering, waartoe mensen opgrond van geboorte behoren en meestal ook blijven behoren.
  • 5.1
  • Verzorgingsstaat: een samenleving waarin de overheid zich ten doel stelt de zorg en het welzijn op zich te nemen. De staat probeert door allerlei maatregelen een bepaald niveau van sociaal welzijn voor al haar burgers te waarborgen.
  • Doelstelling van de verzorgingsstaat:
  • -Bescherming van burgers tegen de risico’s van de industriële samenleving.
  • -Garantie van het minimum inkomen.
  • -Het aanbeiden van voorzieningen die iedereen nodig heeft om goed te kunnen functioneren.
  • -Het bevorderen van het welbevinden van alle burgers door een ieder voldoende ruimte te bieden om zichzelf te ontplooien en deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten op gebied van politiek, cultuur en dergelijke.
  • 19e eeuw: veel problemen door industrialisatie en urbanisatie, later was voor onderwijs ook een grotere bemoeienis gewenst. Na WO II bemoeide de overheid zich steeds meer met de burgers.
  • Sociaaldemocratische of Scandinavische type verzorgingsstaat: relatief hoge, vrij toegankelijke uitkeringen; actief en relatief kostbaar arbeidsmarktbeleid; hoge arbeidsparticipatie van vrouwen; veel werkgelegenheid in sociale sector; hoge belastingen en premies.
  • Corporatische of continentale type verzorgingsstaat: hoog voorzieningen niveau; toekenning van rechten is selectiever; uitkeringsrechten zijn verbonden met bepaalde premies en duur van arbeidsleven; er bestaan afzonderlijke voorzieningen voor bepaalde beroepsgroepen; bescherming gezin met kinderen; arbeidsparticipatiegraad van vrouwen en oude mannen is laag.
  • Liberale of Angelsaksische type verzorgingsstaat: aanmerkelijk laag niveau van sociale voorzieningen; hogere gebruiksdrempel dan andere twee types; uitkeringspercentages zijn laag, uitkeringen van korte duur; overheid trekt weinig geld uit voor activerend arbeidsmarktbeleid en voorzieningen voor zorgtaken.
  • Nederlandse verzorgingsstaat: mengvorm van sociaaldemocratische type en liberale type ( + christendem.)
  • 5.2
  • Sociale verzekeringen zijn gebaseerd op een premie die betaald moet worden, terwijl de uitkeringen in het kader van de sociale voorzieningen worden betaald uit de belastinggelden.
  • Werknemersverzekeringen: verzekeringen voor mensen die in loondienst werken; verplicht voor alle werknemers.
  • Volksverzekeringen: bedoeld voor de hele bevolking.
  • Sociale voorzieningen: bedoeld als aanvulling van de verzekeringswetten.
  • Veranderingen sociale zekerheid:
  • -Vorming van 130 centra voor Werk en Inkomen.
  • -Samengaan van oorspronkelijke 5 uitvoeringsinstellingen in UWV.
  • -Invoering van marktwerking en concurrentie op het gebied van re-integratie.
  • 5.3
  • Crisis van de verzorgingsstaat heeft te maken met drie problemen:
  • -Economische problemen: betaalbaarheid (men kon de uitgaven niet binnen de perken houden).
  • -Politiek-bestuurlijke problemen: bureaucratie (organisaties die de regels uitvoerden, werden steeds groter).
  • -Sociaal-culturele problemen: veranderende gedragspatronen.
  • Individualisering: zelfstandigheid van het individu komt steeds centraler te staan en de afhankelijkheid van anderen neemt verder af.
  • 6.1
  • Vakbonden ontstonden na het begin van de industrialisatie rond 1860-1870, het heeft nog altijd twee doelstellingen:
  • -Materiële positieverbetering (bv. eisen: hogere lonen, kortere werkdagen, veilige werkomstandigheden).
  • -Volwaardige positie van werknemers op werk en in samenleving (bv. eisen: medezeggenschap, kwaliteit arbeid).
  • Ontstaan werkgeversverenigingen: politieke pressiegroep om zich tegen teveel overheidsbemoeienis met arbeidskwesties te kunnen verweren.
  • Functies werkgeversorganisaties:
  • -Politiek-economische functie (politieke pressiegroep)
  • -Belangbehartigende functie (belangen behartigen tijdens onderhandelingen met vakbonden).
  • Sociale partners: werkgeversorganisaties en vakbewegingen: zij moeten tijdens onderhandelingen tot oplossingen komen voor geschilpunten.
  • Belangen werknemers: arbeidsvoorwaarden (inkomen, werktijden); arbeidsinhoud; arbeidsverhoudingen (medezeggenschap); arbeidsomstandigheden (gezondheid, veiligheid, welzijn); algemene belangen (ontslagrecht, sociale zekerheid, werkgelegenheid).
  • Belangen werkgevers: winst ï?  continuïteit van het bedrijf; lage productiekosten; geringe concurrentie; lage belastingen; werkwillige en geschoolde werknemers (arbeidsrust).
  • Voorwaarden staking:
  • -De staking is georganiseerd door een vakbond.
  • -Alle wettelijke middelen zijn geprobeerd.
  • -Er is grote onevenredigheid tussen het doel en de gevolgen van de staking.
  • 6.2
  • Ondernemingsraad: bestaat uitsluitend uit werknemers, worden gekozen door en uit werknemers van het bedrijf. Ondernemingen met 50 of meer werknemers moet een OR hebben. Daaronder mag het op vrijwillige basis.
  • Bevoegdheden OR:
  • -Informatierecht. Heeft betrekking op algemene feitelijke gegevens zoals het jaarverslag, de jaarrekening en een sociaal jaarverslag.
  • -Initiatiefrecht. De OR kan voorstellen aan de ondernemer doen.
  • -Adviesrecht. OR wordt om advies gevraagd bij financieel-economische en bedrijfsorganisatorische besluiten.
  • -Instemmingsrecht. Vetorecht bij zaken van sociaal beleid (pensionering, winstdeling, veiligheid, enz.).
  • Medezeggenschapsraden: vergelijkbare inspraakorganisaties (zoals de OR), maar dan in overheidsinstellingen.
  • Succes van de belangenbehartiging is mede afhankelijk van factoren in de maatschappelijke omgeving:
  • -Het politieke klimaat. Kansen op succes van sociale partners, hangen af van de partijen in de regeringscoalitie.
  • -De sociaaleconomische structuur. Gelijke machtsposities bij de overlegorganen zijn van belang.
  • Poldermodel: Nederlandse sociaaleconomische systeem, waarbij de combinatie van hoge productiviteit, betrekkelijke arbeidsrust, relatief geringe werkloosheid, goede sociale voorzieningen en de gestage economische groei.
  • -De economische conjunctuur. De positie van werknemersorganisaties wordt zwakker tijdens economische recessie en werkloosheid.
  • -De organisatiegraad en actiebereidheid van de leden. Als de organisatiegraad van de vakbeweging hoger is en de actiebereidheid groter is, zullen de vakbonden een geduchtere onderhandelingspartner zijn.
  • -Internationalisering van de economie. Dit zorgt voor daling van invloed van vakbeweging op nationaal niveau.
We hebben 43 gasten online