Kinderbijslag

De Tien Tijdvakken - Tijd van Wereldoorlogen

De Kinderbijslag Wet van 1939 was een werknemersregeling, de Algemene Kinderbijslag Wet van 1963 is te beschouwen als een collectieve solidariteitsbetuiging met ouders van opgroeiende kinderen. Maar beide regelingen hoorden bij een type verzorgingsregime, waarin aan kostwinnersgezinnen een sleutelplaats was toebedacht. En waarin de relaties tussen gezinnen, verzorgingsstaat en arbeidsmarkt daarvan afgeleid waren. De verantwoordelijkheid voor onderhoud, opvoeding, verzorging en scholing van kinderen was helder verdeeld tussen vaders, moeders, ouders, school en overheid.

Ideeën over de relatie tussen de kinderbijslag en het inkomen van de ouders zijn in de afgelopen eeuw sterk veranderd. In de vooroorlogse periode was de kinderbijslag een verlengstuk van het inkomen van vaders. Het was een standsgebonden correctie op de primaire inkomensverdeling, die de vaders van grote gezinnen recht gaf op een hogere toeslag naarmate ze meer verdienden. Deze systematiek past slecht in het denken van burgers die zijn opgegroeid in de sterk ontwikkelde Nederlandse verzorgingsstaat.[1] 

De verstrekking van kinderbijslag in de 21e eeuw

Binnen het sociale zekerheidsstelsel heeft de kinderbijslag weinig zekerheid en meerduidige regeling. Tussen de invoering en de 21e eeuw is de regeling herhaaldelijk van gedaante gewisseld. In de beginperiode was het een typische werknemersregeling, na de Tweede Wereldoorlog werd het een volksverzekering. In de beginperiode ontvingen ouders die meer verdienden een hogere toeslag dan ouders die minder verdienden, later werd de hoogte van het bedrag onafhankelijk van hun inkomen. Eerst was het een regeling met een ‘normaliserende’ strekking. Ongetrouwde moeders kwamen niet in aanmerking, ouders kregen alleen een toeslag voor wettige of gewettigde kinderen. Maar later gold de regeling voor alle ouders en alle kinderen, ongeacht hun burgerlijke staat.[2] 

De politiek en de kinderbijslag

Recente veranderingen in gezinsverhoudingen, en in de relaties tussen gezinnen, overheid en arbeidsmarkt hebben het denken over collectieve arrangementen voor kinderen opnieuw actueel gemaakt. Politieke partijen, de overheid, werknemers en werkgevers nemen daarin opnieuw stelling. Het gaat dan zowel om het ontwerpen van nieuwe regelingen als om de plaats die bestaande regelingen als de kinderbijslag in het geheel van kinderarrangementen krijgen toebedeeld. De kinderbijslag is overigens een regeling die enigszins in de lucht is komen te hangen. Eerdere legitimaties hebben aan zeggingskracht verloren. En anders dan bij pensioenen of de Ziektewet hebben veel mensen desgevraagd geen duidelijk antwoord op de vraag waarom er kinderbijslag bestaat. De meeste politieke partijen hebben geen  uitgewerkt programma voor de toekomst van de kinderbijslag, noch hebben ze duidelijke ideeën over de relatie tussen kinderbijslag en andere overheidsbemoeienis met kinderen.[3] 

[1] Knijn, T. & M. Kremer 1998, ‘Voorzichtig vergelijken: zorgbeleid in Europese verzorgingsstaten’, Sociale Wetenschappen, 41, 1,  42-57. 

2 Daalen, Rineke van 2002, ‘De invoering van kinderbijslag in Nederland. Kostwinning en standsbesef.’, in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 29, 3, september, 285-312. 
[3] Daalen, Rineke van 2002, ‘De invoering van kinderbijslag in Nederland. Kostwinning en standsbesef.’, in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 29, 3, september, 285-312.
Huijg, Teun & Sijbren Kuiper 2004, Recente politieke meningsvorming ten aanzien van de kinderbijslag. (Amsterdam).   
Deel
 
We hebben 17 gasten online