Het Palingoproer

De Tien Tijdvakken - Tijd van Burgers en Stoommachines

ImageDe situatie in de Jordaan rond 1886

Op de zomerse zondag 25 juli 1886 organiseerde een stel Jordanezen een spelletje palingtrekken op de nog niet gedempte Lindengracht. Toen inspecteur Boas  met een paar agenten langs de Lindengracht liep en het palingtrekken zag, liep hij er naartoe, haalde uit zijn broekzak een mes en sneed het touw door.   De palingtrekkers waren woedend, verzette zich hevig en .... kregen steun van de socialisten die net naar Domela Nieuwenhuis hadden geluisterd. De agent die het touw had doorgesneden werd aangevallen. Hij probeerde zich te verdedigen, wilde vluchten maar werd gegrepen en kreeg een flink pak slaag. De mensen juichten. Ze voelden zich sterk. Ze hadden een politieagent een pak slaag gegeven. De menigte begon met stenen te gooien naar alles wat een uniform droeg  Maar de politie kwam terug met zo’n honderd manschappen om de rust te herstellen, Er werden charges uitgevoerd. Mensen werden gearresteerd.  De volgende dag werd de strijd voortgezet. Straten werden opgebroken. Van de stenen werden barricades opgericht. Rode en zwarte vlaggen werden op de barricaden gezet. Trots wapperde het linnen in de wind.   Het stadsbestuur raakte in paniek. Ze vroeg om versterking. Het leger moest komen. Een troepenmacht werd de stad binnen gehaald. Militairen te paard en een afdeling bereden huzaren trokken de Jordaan binnen. Ze zouden de Jordanezen wel even mores leren. Maar de soldaten werden zo hevig met stenen bekogeld dat ze zich moesten terug trekken. De arbeiders dachten dat ze  gewonnen hadden. En een oorverdovend gejuich steeg op.  

Maar de soldaten kwamen terug. Ze hadden van hun officieren opdracht gekregen om bij tegenstand direct met scherp te schieten. Het verzet was hevig. Een regen van stenen daalde neer op de soldaten. Op de daken stonden de bewoners. Alles gooiden ze naar beneden: dakpannen, bloempotten met de geraniums er nog in, stukken ijzer. Het was een complete opstand. De soldaten voelden zich in het nauw gedreven. Ze pakten hun geweren en schoten op alles wat bewoog. Rook kwam uit de lopen. De kruitdamp bleef hangen in de nauwe straatjes. Mensen gilden. Kermende mensen bleven op straat liggen.  In totaal vielen er zestien doden wier levenloze lichamen gewoon op straat bleven liggen. De mannen en vrouwen keken er met ontzetting naar. Veel mensen waren gewond. Het dodental zou oplopen tot vijfentwintig. Nog dagenlang bleef de toestand gespannen. Duizenden soldaten waren naar Amsterdam gehaald.  Ze werden ondergebracht in de Noorder Kerk en in tentenkampen voor het paleis op de Dam. Maar de opstand was bedwongen. De arbeiders gingen weer aan het werk. De prijs die ze betaald hadden was echter hoog.

 

Palingtrekken
Het palingtrekken was een oud Amsterdams spel. Over een gracht werd een touw gespannen waaraan een levende paling hing. De spelers moesten daar in bootjes onderdoor varen en de glibberige paling proberen te pakken, met het risico in het water te belanden. Het palingtrekken was, als ‘wreed volksvermaak’, in de 19e eeuw verboden. Toen de gemeente bekend maakte dat ze een einde wilden maken aan dit wrede spel, brak er een groot rumoer uit, het palingoproer. 

 

De directe en indirecte oorzaken van het Palingoproer
Indirecte oorzaken:
Vanaf 1870 werden drie kwesties belangrijk in de politiek: de schoolstrijd, de kiesrechtkwestie, en de sociale kwestie (d.i. het vraagstuk van de armoede en slechte werkomstandigheden van de arbeiders). Rond die tijd werden de eerste vakbonden opgericht. Lelijke arbeiderswijken werden uit de grond gestampt. Progressief liberalen waren voorstanders van de leerplicht, sociale wetgeving een uitbreiding van het kiesrecht. De conservatief liberalen moesten daar weinig van hebben. In de jaren 80 waren veel rellen. In 1886 braken er rellen uit in Amsterdam (ook wel de ‘Palingoproer’ genoemd).

 

Directe oorzaak:
Op 25 juli 1886 ontstonden grote rellen in de Jordaan, toen de politie het spelen van het verboden spel palingtrekken aan de Lindengracht probeerde te stoppen. Bij het oproer dat volgde vielen vijfentwintig doden.  

 

De belangrijkste hoofdrolspelers:

Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de grondlegger van het socialisme in Nederland, werd in 1846 te Amsterdam geboren en stierf in 1919 te Hilversum. Hij begon zijn publieke leven als Luthers predikant, maar zou na tien jaar de kerk verlaten en zich gaan storten op het socialisme. Van socialist werd hij vervolgens anarchist. Op vele manieren zette hij zich in voor de strijd tegen maatschappelijk onrecht. Hij schreef boeken, artikelen en brochures en maakte vele propagandatochten. Ook was Nieuwenhuis politicus en antimilitarist. Domela Nieuwenhuis was ook lid van een partij: De Sociaal-Democratische Bond (SDB) het was een revolutionair-socialistische partij, die in Nederland bestond van 1881 tot 1900.De SDB werd in 1881 opgericht, met als frontman Nieuwenhuis.De partij streefde naar een Marxistisch-Socialistische samenleving waarin het particulier bezit overbodig zou zijn. De SDB wilde een revolutie ontketenen in Nederland. Ondanks dat feit werd eerst wel aan verkiezingen meegedaan en kwam Domela Nieuwenhuis in 1888 in de Tweede Kamer.Tot op hoge leeftijd was hij actief. Zijn persoonlijk leven was eveneens roerig. Drie echtgenoten stierven in het kraambed en bovendien overleefde hij enkele van zijn kinderen. Op 18 november 1919 overleed Ferdinand Domela Nieuwenhuis op 72 jarige leeftijd te Hilversum, waarschijnlijk aan de gevolgen van de ziekte van Parkinson. 

 

De politieke gevolgen voor Amsterdam en de rest van Nederland
Arbeiders hadden het in de tijd van het Palingoproer niet goed en daar moest iets aan gebeuren. Vanaf 1866 richtten arbeiders verenigingen op om voor hun belangen op te komen. Dit zijn de voorlopers van de latere vakbonden. Veel welgestelde burgers maakten zich zorgen. Zij noemden de problemen van de arbeider 'de sociale quaestie'. Ruwe manieren en een gebrek aan beschaving van 'het volk' hoorden daar volgens hen ook bij. Bezorgde burgers stichtten verenigingen om prostitutie, drankgebruik en kermisbezoek tegen te gaan en om de arbeiders op te voeden. Zij wilden de sociale kwestie graag  helpen oplossen, deels uit medeleven maar ook uit angst voor een opstand. De overheid maakte ondertussen verschillende wetten die het leven van de arbeider stukje bij beetje wat aangenamer maakten. Zo kwam er een verbod op kinderarbeid (1874), een arbeidswet (1889) tegen uitbuiting, een leerplicht (1900) en een woningwet (1901). Vooral het werk van het kabinet Pierson (1897-1901) heeft veel betekend voor de sociale zekerheid. 

 

Bronnen:
http://www.iisg.nl/bwsa/bios/nieuwenhuis-f.html
http://www.iisg.nl/archives/en/files/d/10749151.php
http://www.fdnmuseum.nl/http://www.fdnmuseum.nl/bio/index.html
http://nl.wikipedia.org/wiki/Ferdinand_Domela_Nieuwenhuis

Deel
Vakantiewinkel
We hebben 16 gasten online