Nederland: een nieuwe verhouding, 1977-1990
De Tien Tijdvakken - Tijd van Televisie en Computer
Naar een hernieuwd evenwicht in de verhouding tussen Nederlanders en hun gezagsdragers 1977-1990
Hoe wijzigden zich de partijpolitieke verhoudingen na de val van het kabinet-Den Uyl (1977)?
Tijdens de langdurige kabinetsformatie van 1977 verspeelde de PvdA door haar eisen regeringsdeelname. Tot halverwege de jaren tachtig voerde de PvdA het verzet aan tegen de politieke koers van CDA en VVD, gericht op bezuinigingen en een terugtredende overheid. Deze partijen cultiveerden een negatieve beeldvorming rond de PvdA.
Het christelijk midden keerde terug als politieke factor, belichaamd in het Christen Democratisch Appel (1980). De nieuwe partij kreeg een brede basis; veel kiezers waren de polarisatiestrategie van de progressieve partijen beu. Het succes van het CDA werd ook bevorderd door het bewaren van een zekere afstand tot de kerken. De partij herwon aanhang onder groepen die het 'maatschappelijke middenveld' (o.a. de christelijke vakbeweging, organisaties van boeren, ouderen en werkgevers) vormden. Tot en met 1990 bepaalde het CDA, eerst onder leiding van A. van Agt en later van R. Lubbers, de uitkomst van kabinetsformaties. De aanhang van het CDA groeide tussen 1981 en 1989, die van de PvdA en de VVD schommelde.
Politieke opvattingen verschoven. Het CDA en de VVD kozen voor de 'vrije markt werking' en voor 'een terugtredende overheid'. Tegenover een steeds duurder wordende verzorgingsstaat stelde het CDA 'de verantwoordelijke samenleving', die de gevolgen van overheidsbezuinigingen op de verzorgingsstaat moest opvangen. Het CDA greep terug op het aloude confessionele idee van de beperkte rol van de staat en de eigen verantwoordelijkheid van maatschappelijke organen en het individu. Sleutelbegrippen werden: gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap. De VVD zette de onder H. Wiegel gekozen neo-liberale koers voort. Ze pleitte voor een afslanking van de 'doorgeschoten' verzorgingsstaat. Wiegel gebruikte de symbolen vrijheid en zelfstandigheid ten opzicht van de overheid. Zijn opvolger E. Nijpels presenteerde zijn partij als een 'antipolitieke partij'. De PvdA-top nam in de loop van de jaren tachtig geleidelijk afstand van het polarisatiemodel.
Na het vertrek van Den Uyl als politiek leider in 1987 vonden de drie grote partijen elkaar in een beleid van ingrijpende bezuinigingen en van een sterke beheersing van de sociale zekerheid. Het CDA en de VVD lieten geleidelijk hun confronterende opstelling tegenover de PvdA varen.
Door het kleiner worden van de politieke tegenstellingen gingen de partijen in ideologisch opzicht steeds meer op elkaar lijken. In de politieke campagnes ging het daarom steeds minder om de ideologische verschillen. Partijen, vooral het CDA, werden een soort 'catch-all' bewegingen: partijen waarin leden en sympathisanten in toenemende mate werden gerekruteerd uit andere groepen dan de traditionele achterban.
Hoe wijzigden zich de arbeidsverhoudingen?
Een tweede economische crisis tussen 1979 en 1984 en de daarmee gepaard gaande snelle stijging van de werkeloosheid bracht de vakbeweging in problemen. Stakingen - o.a. voor het behoud van de prijscompensatie - verloren onder deze omstandigheden hun effect en riepen steeds meer maatschappelijk verzet op. Door een aanhoudend ledenverlies werd de positie van de vakbewegingen, de Federatie Nederlandse Vakbeweging en het CNV steeds meer kwetsbaar. Pragmatische leiders binnen de vakbewegingen kregen na 1981 de overhand.
Het Akkoord van Wassenaar (1982) tussen werkgevers en werknemersorganisaties maakte een einde aan de vele arbeidsconflicten. De vakbeweging aanvaardde een loonmatiging 'in ruil' voor arbeidsduurverkorting en herverdeling van werk op termijn. Doorslag gaven de snel stijgende werkeloosheid, de dreiging van onbeheersbare overheidsfinanciën en de vorming van een nieuw kabinet CDA - VVD met een ruime meerderheid in de Tweede Kamer. Het akkoord van Wassenaar wordt beschouwd als een van de pijlers van het Nederlandse poldermodel, de nieuwe consensuspolitiek die zich rond 1990 aftekende.
Hoe ontwikkelde zich de politieke cultuur in de jaren tachtig?
Politieke elites gingen de noodzaak van constructieve samenwerking benadrukken. De kruisrakettenkwestie was het laatste sterk gepolariseerde strijdpunt in de Nederlandse politiek. De hernieuwde consensuspolitiek bevorderde een afnemende betrokkenheid van burgers bij de traditionele politiek.
De nieuwe politieke stijl werd zakelijk en nuchter. Politieke conflicten werden vaak in het openbaar, via het medium televisie, gedepolitiseerd. Meester hierin was minister-president R. Lubbers, met zijn 'no-nonsense aanpak'. De regering trok zich, mede door de slechte toestand van de economie, weinig aan van linkse actiegroepen. De jaren tachtig kenden een soort revival van de naoorlogse jaren waarin de landspolitiek (ook) werd gedomineerd door thema's uit de economie. Opvallend was de invloed van CPB-cijfers op de politieke discussie. De linkse idealen van de jaren zeventig werden in deze tijd van recessie te kijk gezet als spilzieke dagdromerij.
Tegenover de gezagsdragers stonden kritische en zelfstandige burgers. In de jaren tachtig veranderde de relatie tussen burger en politiek. Traditionele organisaties (politieke partijen, vakbonden, kerken) zagen hun aanhangers in aantal verminderen. De belangstelling voor politiek nam niet af, maar presenteerde zich in andere vormen van politieke participatie. Burgers sloten zich op basis van persoonlijke overtuiging of betrokkenheid aan bij nieuwe organisatievormen. Er kwam meer interesse voor nieuwe organisaties die zich bezighielden met moderne vraagstukken over abortus en euthanasie, natuur en milieu en internationale solidariteit. Het succes van bewegingen als Amnesty International en Greenpeace leidde er toe dat maatschappelijke kwesties en milieukwesties een belangrijkere rol in politiek Den Haag zijn gaan spelen.
Jongeren en vrouwen vonden zich in de algemene doelen en werkwijzen van de genoemde organisaties en voelden weinig behoefte zich op basis van leeftijd of sekse binnen deze organisatie te onderscheiden. De burger kon in het tijdperk van het individu eigen keuzes maken; solidariteit met groepsbelang leek achterhaald.
Politici moesten leren inspelen op het gedrag van burgers die zonder schroom opkwamen voor hun rechten in de 'civil society': een ontzuild 'sociaal middenveld' waarin de burgers zich veelvuldig en uit vrije wil aansluiten bij politieke en sociale verbanden.
Veel (nieuwe) sociale bewegingen, vaak voortgekomen uit buitenparlementaire actiegroepen, deden een beroep op politieke tradities uit de tijd van de verzuiling. Ze ontvingen daarom o.a. subsidies van de overheid. De politieke strategie van deze bewegingen was net als die van de politieke elite gericht op consensus, te bereiken in een netwerk van adviesorganen. Maatschappelijke problemen of milieukwesties werden aan de onderhandelingstafel van hun scherpe kanten ontdaan.
| < Vorige | Volgende > |
|---|
Nieuw(s) op deze site
- Huis Doorn en de Eerste Wereldoorlog
- Examenforum voor docenten
- Basiskennis Geschiedenis (entreetoets Pabo)
- Nationale Molendagen (11 en 12 mei 2013)
- Slag om Grebbeberg verfilmd
- Niet weggooien!
- Gratis E-boek (t/m 9 mei 2013)
- Swart op de Gracht: tentoonstelling slavernij
- Aquarellen over Japanse bezetting tijdens WO2
- Het Rijksmuseum
- Geschiedenisdidactiek
- Van Toen tot Nu: Geschiedeniscanon in stripvorm
- Van Gogh, een huis voor Vincent (deel 4)
- Van Gogh, een huis voor Vincent (deel 3)
- Van Gogh, een huis voor Vincent (deel 2)
- Van Gogh, een huis voor Vincent (deel 1)
- Rembrandt en ik (deel 4)
- Rembrandt en ik (deel 3)
- Rembrandt en ik (deel 2)
- Rembrandt en ik (deel 1)













