Crisisjaren in Nederland

De Tien Tijdvakken - Tijd van Wereldoorlogen

De Nederlandse economische crisis (1929-1939) 

Nederland is al eeuwen afhankelijk van export en import van handel met andere landen en met name Duitsland. Met Duitsland ging het na Eerste wereldoorlog economisch erg slecht. Ze hadden door de vrede van Versailles (1919) grote gebieden af moeten staan. De industriële centra  (Saargebied en de Ruhr) gingen naar Frankrijk en een groot gedeelte van het oosten, waar kolen en landbouwgrond lag werd Polen. Nederland had hier duidelijk, vanwege de handelsbetrekkingen, veel hinder van in de jaren twintig en dertig.  

Na het instorten van de beurs in Amerika (Zwarte donderdag, 24 Oktober 1929) sloten veel landen hun grenzen om de eigen economie te beschermen. Door deze binnenlandse protectie werd in Nederland de import en export in zeer korte tijd door midden gesneden en liep de handel vast. Aan het einde van 1930 sloeg de crisis ook in Nederland toe. In Nederland werd de productie niet teruggeschroefd maar liep de koopkracht wel terug. Het gevolg was dat Nederland een overvloed aan producten had die niet konden worden gekocht door Nederlanders en in het buitenland niet werden afgezet. De regering kon geen oplossing bedenken. Ze bleven wel steun aan werklozen uitkeren maar verscherpte de controle en de eisen om een uitkering te krijgen.  

Toen werd Hendrik Colijn minister president. Hij wilde de lonen aanpassen aan de prijzen die heel erg laag waren. Bedrijven konden de lonen verlagen zonder dat hun werknemers daar wat van merkten wat de koopkracht betreft. Veel bedrijven die met het buitenland handel dreven profiteerden niet of nauwelijks. Zij gingen over tot het ontslaan van werknemers. De steun was al niet zo hoog, en werd niet uitgekeerd aan vrouwen, jongeren en veel werklozen. Door de steun nog verder te verlagen moesten de werklozen het wel doen met de slechtste baantjes. De regering maakte het ook onmogelijk voor werklozen om zwart te werken door de eis om twee keer per dag te komen een stempel te halen in het gemeentehuis. Verder verlaagde de regering de salarissen van overheidspersoneel en werden de uitgaven van de overheid aan het onderwijs verlaagd.  

Er ontstonden in de loop van de dertiger jaren allemaal particuliere hulporganisaties voor de werklozen. Die deelden dan bijvoorbeeld kleren uit. De kleren zagen er allemaal gedragen (en soms versleten) uit, waardoor direct zichtbaar was wie werkloos was en moest leven van ‘de bedeling’.De angst voor de ‘schande van werkloosheid’ dreef veel mensen naar slecht betaalde baantjes. 

De regering wilde de opbrengst van de export ondertussen zo hoog mogelijk houden. Om de gulden even veel waard te laten blijven werd vastgehouden aan de gouden standaard (de koers tussen de gulden en zijn waarde in goud moest blijven). In andere landen was er sprake van een sterke inflatie (geldontwaarding) waardoor zij de gouden standaard wèl loslieten. Dit zorgde voor een correctie van de waarde van de munt ten opzichte van de economische waarde. Als andere landen nu producten uit Nederland wilden kopen, zouden ze, omdat Nederland wel vasthield aan de gouden standaard, veel meer moeten betalen. Dit maakte Nederland tot een dure (dus ongunstige) handelspartner.  

De (internationale) economische crisis is in de jaren dertig eigenlijk niet opgelost door de ingrepen van de regering. De Tweede wereldoorlog doorbrak in veel landen pas de problemen in de economie. Helaas kwam dit omdat veel mannen het leger in moesten en de overgebleven vrouwen werden ingeschakeld in de oorlogsindustrie. 

Bronnen: 
http://www.geschiedenisvoorkinderen.nl/eeuw

R.R. Palmer en J. Colton, a history of the modern World ( New York 1998).
R. Aerts e.a., Land van kleine gebaren. Een politieke geschiedenis van Nederland 1780-1990 (Nijmegen 1990).

Deel
 
We hebben 38 gasten online